10 veelgemaakte taal- en spelfouten bij expat-kinderen (en hoe je ze helpt)

“Het lastigste vind ik nog steeds de en het.”

Dat zei Sarah laatst tegen me.

Sarah was acht jaar toen ze bij mij begon met Nederlandse les. Ze woonde toen met haar gezin in Nigeria, heeft een Nederlandse vader en een Nigeriaanse moeder en volgde haar Nederlandse lessen online bij mij.

Ze was mijn allereerste leerling.

Twee jaar lang hadden we samen les vanuit Nigeria. Daarna verhuisde ze naar Nederland, naar Den Haag, en ging ze daar verder op een Nederlandse basisschool.

Inmiddels is Sarah 21.

Ze heeft tweetalig gymnasium gedaan, is cum laude geslaagd en studeert inmiddels aan de TU Delft. Haar Nederlands is zó goed dat de meeste mensen helemaal niet horen dat ze de eerste jaren van haar leven buiten Nederland is opgegroeid.

En af en toe spreken we elkaar nog steeds.

Laatst vroeg ik haar:

“Zijn er eigenlijk nog dingen in het Nederlands die je moeilijk vindt? Of momenten waarop mensen merken dat Nederlands voor jou anders is begonnen?”

Ze moest lachen.

“De en het.”

Nog steeds.

Ze vertelde dat ze soms midden in een verhaal zit en opeens begint te twijfelen.

De bad? Het bad?

En dan kiest ze.

“De bad.”

Waarop iemand zegt: “Het bad.” En ze dan denkt: “jaaaa, ik twijfelde al!”

Soms ontstaat er daarna een heel gesprek. Mensen vragen waar ze vandaan komt, hoe lang ze al in Nederland woont en hoe het komt dat ze zo goed Nederlands spreekt.

Terwijl de meeste mensen het anders helemaal niet doorhebben.

En eigenlijk vind ik dat zo’n mooi voorbeeld van hoe een taal werkt.

Je kunt een taal ontzettend goed beheersen en tóch van die kleine dingen houden waar je hersenen iedere keer even over moeten nadenken.

Waarom maken meertalige (expat)kinderen andere fouten?

Kinderen die buiten Nederland opgroeien, leren Nederlands vaak op een andere manier dan kinderen die iedere dag volledig worden ondergedompeld in de Nederlandse taal.

Misschien spreken ze thuis Nederlands met mama, maar Engels met papa.

Misschien gaan ze naar een internationale school.

Misschien kunnen ze heerlijk kletsen met opa en oma in Nederland, maar hebben ze nog nooit Nederlandse spelling gehad.

Of misschien zijn ze pas op hun achtste, tiende of twaalfde echt begonnen met Nederlands leren.

Dat betekent niet dat hun Nederlands “slecht” is.

Integendeel.

Veel van onze leerlingen spreken twee, drie en soms zelfs vier talen.

Maar bepaalde Nederlandse taalregels krijgen ze simpelweg minder vaak aangeboden. En juist dan zie je vaak dezelfde struikelblokken terugkomen.

Dit zijn 10 dingen die wij bij Dutch for Kids regelmatig tegenkomen – én wat je thuis kunt doen om je kind ermee te helpen.

1. De of het?

Daar beginnen we natuurlijk mee.

De tafel. Het huis. De stoel. Het meisje. Het water.

Waarom?

Tja.

Soms is er een regel, maar heel vaak moet je het gewoon weten.

Voor kinderen die in Nederland opgroeien en de hele dag Nederlands horen, gaat dat uiteindelijk grotendeels automatisch. Ze hebben een woord honderden keren gehoord in combinatie met het juiste lidwoord.

Voor een kind dat veel minder Nederlands hoort, is dat anders.

Dan krijg je dus:

de huis
het tafel
de meisje
de bad

Zo help je je kind

Leer een zelfstandig naamwoord altijd samen met het lidwoord.

Dus niet:

tafel = table

maar:

de tafel = the table

Niet:

huis = house

maar:

het huis = the house

Wij zetten daarom in onze woordenlijsten ook graag het lidwoord bij het zelfstandig naamwoord.

Je kind leert eigenlijk niet één woord, maar één klein pakketje: het huis.

Dat maakt het later veel makkelijker.

2. De woordvolgorde in Nederlandse zinnen

“Vandaag ik ga naar school.”

Je begrijpt precies wat een kind bedoelt.

Maar in het Nederlands zeggen we:

Vandaag ga ik naar school.

De Nederlandse woordvolgorde is behoorlijk ingewikkeld, zeker als een kind daarnaast dagelijks Engels of een andere taal spreekt.

Vergelijk maar:

Ik ga vandaag naar school.
Vandaag ga ik naar school.
Omdat ik vandaag naar school ga…

Het werkwoord springt ineens door de hele zin.

Zo help je je kind

Ga niet iedere verkeerde zin uitgebreid grammaticaal ontleden.

Herhaal hem gewoon goed.

Je kind zegt:

“Gisteren ik heb gevoetbald.”

Jij antwoordt:

“O, heb je gisteren gevoetbald?”

Zo hoort je kind steeds opnieuw de goede constructie zonder dat ieder gesprek in een Nederlandse les verandert.

Bij oudere kinderen kun je natuurlijk wél bewust naar de zinsbouw kijken.

Een simpele tip is: begint de zin met tijd of plaats? Kijk dan waar de persoonsvorm staat.

Vandaag ga ik…
Na school speel ik…
In Nederland wonen wij…

3. Geen of niet?

“Ik heb niet huiswerk.”

“Ik heb geen huiswerk.”

Voor kinderen die Nederlands als tweede taal leren, kan het verschil tussen geen en niet behoorlijk lastig zijn.

Zo help je je kind

Begin met één eenvoudige kapstok:

Kun je er een voor zetten?

Dan gebruik je vaak geen.

Ik heb een fiets → Ik heb geen fiets.
Ik heb een hond → Ik heb geen hond.
Ik heb huiswerk → Ik heb geen huiswerk.

Bij een werkwoord of eigenschap krijg je vaak niet:

Ik zwem niet.
Ik ben niet moe.
Dat is niet leuk.

Later komen natuurlijk de uitzonderingen en moeilijkere constructies. Maar voor een kind is zo’n eerste kapstok vaak veel fijner dan tien regels tegelijk.

4. Verkeerde werkwoordsvormen

“Ik loopte naar huis.”

Eigenlijk is dat een prachtige fout.

Want je kind hééft een Nederlandse regel ontdekt.

Werken → werkte.
Fietsen → fietste.

Dus:

Lopen → loopte.

Klinkt logisch.

Alleen hebben wij Nederlanders bedacht dat het liep moet zijn.

Sorry. 😉

Zo help je je kind

Maak een klein lijstje met veelgebruikte onregelmatige werkwoorden en oefen die vooral in echte zinnen.

gaan – ging – gegaan
zien – zag – gezien
komen – kwam – gekomen
lopen – liep – gelopen
eten – at – gegeten
drinken – dronk – gedronken

Niet twintig rijtjes uit het hoofd leren, maar gebruiken.

Gisteren ging ik…
Vorige week zag ik…
Toen kwam mijn oma…

Hoe vaker je kind de goede vorm hoort én gebruikt, hoe normaler die gaat klinken.

5. D, t of dt?

Welkom bij een onderwerp waar ook heel veel volwassenen in Nederland nog over twijfelen.

Hij word? Hij wordt? Is gebeurd? Is gebeurt?

Voor meertalige kinderen kan werkwoordspelling extra lastig zijn omdat je aan de uitspraak vaak niet kunt horen welke letter je moet schrijven.

Zo help je je kind

Leer je kind niet om op gevoel te gokken.

Laat het steeds dezelfde stappen volgen:

1. Zoek het werkwoord.
2. Zoek de persoonsvorm.
3. Zoek het onderwerp.
4. Bepaal de tijd.
5. Pas daarna de spellingregel toe.

Bijvoorbeeld:

Hij wordt morgen tien.

Wie wordt? → hij.
Tegenwoordige tijd.
Stam word + t → wordt.

Een vast stappenplan geeft veel meer houvast dan: “Volgens mij is het met dt.”

6. Dubbele en enkele klinkers

maan – man
boot – bot
raam – ramen
boom – bomen

Dit is zo’n typisch Nederlands spellingsonderwerp dat kinderen die Nederlands vooral spreken niet vanzelf onder de knie krijgen.

Je kunt prima Nederlands praten en toch schrijven:

boomen
raamen
maan-en

Zo help je je kind

Laat je kind woorden hardop uitspreken.

Hoor je een lange klank?

maan

Maar zodra er een lettergreep bijkomt:

ma-nen

staat die lange klank ineens met één a.

Werk in woordfamilies:

maan → manen
raam → ramen
boom → bomen
been → benen

Zo gaat je kind het patroon zien in plaats van ieder woord afzonderlijk uit het hoofd te leren.

7. Voorzetsels: op, in, aan, naar…

“Ik wacht voor jou.”

In het Engels is het wait for you.

In het Nederlands wachten we op iemand.

En daar gaat het vaak mis.

Je bent boos op iemand.
Je denkt aan iemand.
Je wacht op iemand.
Je gaat naar school.
Je bent op school.

Waarom precies?

Omdat talen nu eenmaal niet één-op-één te vertalen zijn.

Zo help je je kind

Leer voorzetsels samen met de uitdrukking.

Dus niet alleen:

wachten = to wait

maar:

wachten op

Niet alleen:

denken = to think

maar:

denken aan

Maak er weer één pakketje van.

Dat voorkomt dat je kind de constructie uit het Engels of een andere taal letterlijk naar het Nederlands vertaalt.

8. Die, dat, deze en dit

“De meisje die daar loopt.”

Hier komen meteen twee lastige Nederlandse dingen samen.

Het is het meisje.

En daarna wordt het:

het meisje dat daar loopt.

Maar:

de jongen die daar loopt.

Zo help je je kind

Koppel het weer aan de en het.

de → deze → die
het → dit → dat

Dus:

de tafel → deze tafel → die tafel
het huis → dit huis → dat huis
de jongen → die jongen
het meisje → dat meisje

Daarom is het zo belangrijk dat je kind vanaf het begin de tafel en het huis leert in plaats van alleen tafel en huis.

Alles begint later met elkaar samen te hangen.

9. Woorden schrijven zoals je ze hoort

Een kind kan een woord prima kennen en toch geen idee hebben hoe je het schrijft.

Dat zie je vooral bij kinderen die thuis veel Nederlands spreken, maar hun onderwijs in een andere taal volgen.

Ze hebben een enorme mondelinge woordenschat, maar de geschreven taal loopt achter.

Dan krijg je bijvoorbeeld fonetische spelling: een kind schrijft ongeveer op wat het hoort.

En eerlijk gezegd is dat heel logisch.

Zo help je je kind

Laat je kind vooral veel Nederlands lezen.

Boeken, strips, tijdschriften, recepten, informatie over een onderwerp dat ze interessant vinden: het maakt niet zoveel uit.

Door woorden steeds opnieuw correct geschreven te zien, bouwt je kind als het ware een Nederlands woordbeeld op.

Combineer dat met korte schrijfmomenten.

Een berichtje aan oma.

Een boodschappenlijstje.

Een kort verhaaltje.

Een kaartje uit de vakantie.

Het hoeft echt niet iedere keer een werkblad te zijn.

10. Een Nederlandse zin bouwen met de regels van een andere taal

Dit vind ik misschien wel een van de interessantste.

Een kind weet alle Nederlandse woorden.

Maar zet ze vervolgens in een zin zoals dat in het Engels, Spaans, Frans of een andere taal zou gebeuren.

Je hoort dan soms een zin waarvan ieder afzonderlijk woord Nederlands is, maar waarvan je toch denkt:

Hmm… zo zouden wij dat niet zeggen.

Dat is geen gekke fout.

Het brein van een meertalig kind heeft meerdere taalsystemen tot zijn beschikking. En soms komt er even een regel uit een andere taal tussendoor.

Zo help je je kind

Verbeter niet ieder foutje midden in een enthousiast verhaal.

Dat haalt alle lol uit het spreken.

Kies liever één of twee dingen waar je op dat moment op let.

En hoor je een gekke constructie?

Geef de goede Nederlandse zin terug.

“Ah, je bedoelt: ik heb er heel veel zin in.”

Zo krijgt je kind de juiste zin aangeboden zonder het gevoel te krijgen dat alles wat het zegt fout is.

Moet je al die fouten dan steeds verbeteren?

Nee.

Alsjeblieft niet.

Stel je voor dat jij een verhaal vertelt en iemand je na iedere twee zinnen onderbreekt:

“Dat was fout.”

“Dat ook.”

“En eigenlijk moet dat woord daar.”

Dan heb je na vijf minuten ook geen zin meer om te praten.

Een kind moet vooral veel Nederlands durven gebruiken.

Praten. Lezen. Schrijven. Grapjes maken. Verhalen vertellen. Fouten maken.

Gerichte feedback is absoluut belangrijk, maar het hoeft niet op alles tegelijk.

Kies iets waar je aan werkt.

Deze week letten we extra op de en het.

Of op de volgorde in de zin.

Of op de verleden tijd.

En laat de rest soms gewoon even gaan.

Een fout vertelt je juist wat een kind aan het leren is

Dat vind ik als leerkracht misschien wel het interessantste aan fouten.

Als een kind loopte zegt in plaats van liep, zie ik niet alleen een fout.

Ik zie een kind dat heeft ontdekt dat Nederlandse werkwoorden in de verleden tijd vaak -de of -te krijgen en die regel probeert toe te passen.

Als een kind de huis zegt, weet ik dat we nog wat meer aandacht kunnen besteden aan lidwoorden.

En als een kind zegt “morgen ik ga naar school”, weet ik dat de woorden er al zijn en we nu verder kunnen bouwen aan de Nederlandse zinsstructuur.

Een fout is dus niet alleen iets wat weg moet.

Het vertelt ons wat de volgende stap kan zijn.

En Sarah…

Die zal misschien over tien jaar nog steeds af en toe twijfelen tussen de en het.

En dat is helemaal niet erg.

Want dat meisje dat ooit als achtjarige vanuit Nigeria bij mij inlogde voor haar Nederlandse lessen, heeft inmiddels haar hele Nederlandse schoolcarrière doorlopen, tweetalig gymnasium gedaan, is cum laude geslaagd en studeert aan de TU Delft.

Ze spreekt Nederlands alsof ze nooit anders heeft gedaan.

En heel af en toe zegt ze:

“De bad.”

Waarop iemand zegt:

“Het bad.”

En Sarah denkt:

O ja. Ik twijfelde al.

Zij kan vloeiend drie talen spreken, dat kan niet iedereen zeggen :)!

Je hoeft een taal niet altijd perfect te spreken om hem volledig van jou te laten zijn.

Zie ik jullie snel bij een gratis kennismaking?

Benieuwd hoe onze online Nederlandse lessen voor kinderen  eruitzien in de praktijk?

Plan een gratis kennismaking in. Dan kijken we samen waar je kind staat, en volgt daarna een gratis proefles bij een docent die past. Zo ontdek je zonder verplichtingen of onze aanpak bij jullie gezin past.

Op de hoogte blijven?

Wil je ons laatste nieuws als eerste direct in je mailbox ontvangen?

Laat je gegevens achter en we mailen je onze laatste updates direct!